Bij de invoering van de WWZ heeft de wetgever de hoogte van de ontslagvergoedingen aan banden willen leggen. De vertrouwde ‘Kantonrechtersformule’ (grosso modo 1 maand salaris per dienstjaar of meer, afhankelijk van de leeftijd) werd afgeschaft en de Transitievergoeding werd ingevoerd. In de wet is nu vastgelegd dat een werknemer die korter dan 2 jaar in dienst is geen enkele vergoeding kan krijgen en degene die langer in dienst is, nooit meer kan krijgen dan € 75.000,= bruto. 

De bedoeling van de wetgever was dus de Kantonrechter alleen nog te laten beslissen over de vraag óf een dienstverband wel ontbonden moet/mag worden, de wet schrijft dan voor welke vergoeding hoort bij het aantal dienstjaren (en de leeftijd), per saldo ongeveer 1/3 minder dan de oude Kantonrechtersformule. 

Om een voorbeeld te geven: een werknemer van 50 jaar oud die nu 10 jaar in dienst is bij zijn werkgever en een salaris geniet van € 3.500,= bruto zou in 2014 nog een ontslagvergoeding hebben gekregen van € 47.500,= bruto. Onder het WWZ regime krijgt hij in 2016 nog maar € 12.600,= bruto... tenzij...

 

Uitzondering:

De wetgever heeft in de WWZ één ‘muizengaatje’ opengelaten (ja serieus, zo wordt het in de rechtspraktijk genoemd door Hoogleraren, rechters en advocaten…) om in zéér ernstige gevallen van misdraging door de werkgever tóch een ‘additionele billijke vergoeding’  te kunnen toekennen aan de werknemer. 

Er is vóór de invoering van de WWZ oeverloos gediscussieerd over dit muizengaatje. Want wat zijn dan die gevallen van ‘zéér ernstige misdragingen’ door de werkgever, waar moet je dan aan denken ? geopperd werd dat – bijvoorbeeld - gevallen waarbij een werkgever had gediscrimineerd daaronder zouden kunnen vallen.

En dan, hoe bereken je dan de hoogte van die ‘billijke vergoeding’ (artikel 7:681)? Ook daarover is de wettelijke regeling niet duidelijk. 

Inmiddels is er veel jurisprudentie verschenen (veel werknemers hebben in rechtszaken aan Kantonrechters gevraagd hen een additionele billijke vergoeding toe te kennen, bovenop de Transitievergoeding) en – gelukkig, wat wij mensen uit de professionele praktijk al hadden voorspeld – gaan veel Kantonrechters lekker hun eigen gang. Er worden dus geregeld, steeds vaker lijkt het, additionele billijke vergoedingen toegekend, óók in situaties die nou niet direct lijken te stroken met de ‘zéér ernstig verwijtbare’ gedragingen van de werkgever waar de wetgever aan dacht.

Zo zijn er gevallen waarbij de Kantonrechter meent dat het enkele feit dat een werkgever er niet alles aan doet om zijn werknemer een redelijke kans te geven zich te verbeteren (een ‘verbetertraject’) of er niet alles aan doet om een verstoorde relatie te voorkomen maar te snel tot ontslag overgaat, al feiten en omstandigheden zijn die als ‘ernstig verwijtbaar’ kunnen worden aangemerkt en een billijke vergoeding bovenop de Transitievergoeding rechtvaardigen.

Ook bij de berekening van de billijke vergoeding gaan de Kantonrechters creatief te werk. De een grijpt terug op de vertrouwde Kantonrechtersformule, de ander op een schadeberekening en weer een ander motiveert in het geheel niet en stelt gewoon dat hij meent dat ‘deze billijke vergoeding passend is’. 

Zo is in de meest recente uitspraak door een Kantonrechter aan een werknemer maar liefst € 80.000,= bruto toegekend als billijke vergoeding bovenop de maximale Transitievergoeding van € 75.000,= bruto. 

Een verkorte weergave van de beslissing van de Kantonrechter:

“De kantonrechter wijst het verzoek om Rijnbrink te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding toe. Rijnbrink heeft ernstig verwijtbaar gehandeld, onder meer door vanaf 2004 geen functioneringsgesprekken meer te voeren. Hierdoor heeft Rijnbrink een sfeer (kunnen) laten ontstaan waarbij onvrede over het functioneren van werknemer bij de medewerksters kon groeien. Daarmee is werknemer de kans ontnomen in een vroeg stadium zijn functioneren, voor zover nodig, bij te stellen. Dit, onder meer in combinatie met het niet deugdelijk nakomen van het kortgedingvonnis, maakt dat van ernstig verwijtbaar handelen van Rijnbrink sprake is. De kantonrechter stelt de billijke vergoeding vast op een bedrag van € 80.000.

Benieuwd naar alle feiten en omstandigheden in die zaak? Lees:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOVE:2016:882